|
Ter gelegenheid van OMD 2008, is er voor het eerst een – weliswaar kleinschalige – studie gebeurt naar de pioniers binnen het archeologische onderzoek in Brugge en ommeland. Het is onmiskenbaar dat de mens in het verleden herhaaldelijk op vondsten uit een nog verder verleden is gestoten. Helaas zijn daar slechts zelden sporen van terug te vinden. Een mooi, maar tegelijk uitzonderlijk voorbeeld zijn de “Albums Ledoulx” uit de 18de eeuw, waarin heel wat archeologische voorwerpen zijn afgebeeld. Talrijke stukken zijn afkomstig uit de collectie van Joseph van Huerne, een voormalig Brugs burgemeester.
De eerste golf van belangstelling voor het archeologisch verleden van de eigen streek, waarvan gegevens bewaard zijn, is te situeren op de overgang van de 19de naar de 20ste eeuw. Aanvankelijk is de interesse voor archeologie een hobby voor rijke heren van adel. Baron de Loë in Brussel, baron de Maere d’Aertrycke en baron Gillès de Pélichy in West-Vlaanderen, Maertens de Noordhout in Gent, allen voorbeelden van adellijke personen met een passie voor archeologie. Een uitzondering is Claerhout, een West-Vlaams priester. In de meeste gevallen beperkt hun bijdrage aan het archeologisch onderzoek zich tot het verzamelen van oppervlaktevondsten, zoals steentijdmateriaal. Soms gebeuren er opgravingen, vrijwel steeds echter op een zeer amateuristische wijze. Dankzij de inbreng van baron de Loë, die de eerste nationale archeologische dienst opricht en ook een aantal lokale amateurs begeleidt, wordt de kwaliteit van het onderzoek heel wat beter.
Van dit prille archeologische onderzoek zijn vooral vondstmeldingen en artikels in allerlei – meestal Franstalige – tijdschriften bewaard. Helaas zijn de meeste vondsten zelf verloren gegaan. Een zoektocht in nationale en lokale musea heeft bitter weinig opgeleverd.
De pioniers:
Charles Gillès de Pélichy
Baron Charles Gillès de Pélichy wordt in 1872 geboren. Sterk beïnvloed door de politieke familietraditie gaat hij zich wijden aan de politiek. Na zijn opleiding als advocaat wordt hij volksvertegenwoordiger voor de katholieke partij in het arrondissement Roeselare-Tielt. Nadien wordt hij senator.
Charles Gillès de Pélichy bouwt in de familiale traditie van heropbloei van de gotiek in Gits een eigen kasteel in uitgesproken neogotische stijl. Na de vernietiging van dit kasteel door de Duitse bezettingstroepen in 1918, wordt het gezin Gillès de Pélichy eigenaar van het slot Male. Later vestigen ze zich in de Brugse Wulfhagestraat. Charles Gillès de Pélichy overlijdt er in 1958.
Een bijzonder facet van zijn privéleven is zijn grote archeologische belangstelling. Vanaf zijn 14de jaar begint hij archeologische vondsten te verzamelen. Hij neemt onder meer deel aan de opgravingen te Izegem en Emelgem. Wat als een eenvoudige hobby begint, groeit uit tot een ware passie. Hij publiceert verschillende artikels en wetenschappelijke mededelingen over zijn onderzoek. Verschillende vondsten, onder andere Merovingische voorwerpen uit Emelgem, worden tentoongesteld in het kader van de middeleeuwse verzamelingen van het Gruuthusemuseum.
Zijn belangstelling voor archeologie beperkt zich niet enkel tot de streek van Izegem, dat deel uitmaakt van zijn kiesarrondissement, maar omvat eveneens de streek van Brugge en meer bepaald van Zeebrugge. Samen met Aimé Rutot doet hij belangwekkende ontdekkingen in Fort Lapin en de Zeebrugse haven. Hij voert ook heel wat prospecties uit onder andere in Steenbrugge, Sint-Kruis en Tillegem, waarbij hij steentijdwerktuigen verzamelt. Heel wat van die vondsten zijn in de collecties van het Gruuthusemuseum (nu Bruggemuseum) terechtgekomen.
Maurice de Maere d’Aaertrycke
Baron Maurice de Maere wordt in 1864 te Gent geboren als zoon van Emiel de Maere en Laura van Zuylen de Bisthoven. Reeds van op de lagere school toont hij een grote aanleg en nieuwsgierigheid voor alles wat wiskunde en geschiedenis aangaat. Hij vat hogere studies aan te Gent en vervolledigt die aan de Koninklijke Militaire School te Brussel. In 1893 huwt hij met de zuster van de toenmalige gouverneur. Op het politieke vlak speelt hij een eerder bescheiden rol, enerzijds als afgevaardigde voor het arrondissement Brugge in het Parlement, anderzijds als schepen in de gemeenteraad van Aartrijke.
Hij verwerft een zekere bekendheid als amateur-archeoloog. In diverse tijdschriften verschijnen bijdragen van zijn hand. Enkele handelen over militaire onderwerpen, andere bijdragen handelen over de Gulden Sporen slag en talrijke bijdragen handelen over de voorgeschiedenis van een aantal Westvlaamse vindplaatsen. Baron de Maere doet onder andere heel wat steentijdvondsten in het gebied Torhout – Aartrijke.
Hij is de neef van baron August de Maere d'Aertrycke (1820 - 1900), "vader" van Brugge Zeehaven. Maurice de Maere is de bouwheer van het kasteel de Maere d'Aertrycke. Hij overlijdt op 1941 in Brugge tijdens de 2de wereldoorlog.
Alfred de Loë
Baron de Loë (1858 - ) is op het einde van de 19de eeuw adjunct-conservator bij de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis aan het Jubelpark in Brussel. Hij sticht de Société Royale d'Archéologie de Bruxelles en de "Rijksdienst voor Opgravingen" in 1903, waarvan hij de eerste directeur wordt. Hij kan worden beschouwd als de grondlegger van het professionele archeologische onderzoek in België.
De belangrijkste opdracht van de nieuwbakken opgravingsdienst is de opvolging van werken waarbij archeologische vondsten aan het licht kunnen komen, de zorg voor een optimale bewaring van de stukken en de studie van de lagen waarin de vondsten gedaan worden. Op deze manier gebeuren “nood”opgravingen in de echte betekenis van het woord. De sporen worden gefotografeerd, tussen de werken door ingetekend en de vondsten ingezameld. Bij de opgravingen wordt er zorgvuldig onderzoek verricht, waarbij stalen worden genomen voor verdere analyse. Men gebruikt een truweel, een borstel en een pincet. In 1903 wordt er voor het eerst een bedrag (maximaal 2.000 Belgische frank) bestemd voor archeologisch onderzoek.
De resultaten van het archeologische onderzoek worden tentoongesteld in de zalen van Oud-België, in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Baron de Loë is de conservator en grote bezieler achter deze afdeling.
Samen met zijn assistent Rahir, doet baron de Loë ook heel wat waarnemingen in het noorden van West-Vlaanderen en publiceert hij talrijke vondsten die in het gebied door amateur-archeologen zijn gedaan. Noodopgravingen en toevalsvondsten vinden onder meer plaats in Brugge (Fort Lapin), Zeebrugge, Heist, Knokke, Torhout en Varsenare.
Edmond Rahir
Rahir is afkomstig uit St-Joost-ten-Noode (1864 - 1936). Hij start met studies aan de universiteit, maar moet opgeven wegens gezondheidsredenen.
Zijn carrière begint met het opstellen van toeristische gidsen. Zo ontmoet hij baron de Loë, adjunct-conservator aan het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis aan het Jubelpark te Brussel en directeur van de "Rijksdienst voor Opgravingen”. In 1903, op 39-jarige leeftijd, wordt Rahir tot attaché benoemd in het museum aan het Jubelpark. In deze hoedanigheid is hij de adjunct van baron de Loë en leidt hij verscheidene opgravingen. In 1925 volgt Rahir baron de Loë op als adjunct-conservator.
Rahir verricht tal van archeologische opgravingen in heel het land. Hij wordt aanzien als voorganger van de moderne archeologie. Hij is auteur van talrijke boeken en artikels i.v.m. onder meer archeologie, natuurbehoud en de invloed van de wind op de duinen.
Samen met baron de Loë doet Rahir heel wat waarnemingen in het noorden van West-Vlaanderen. Noodopgravingen en toevalsvondsten vinden onder meer plaats in Brugge (Fort Lapin), Zeebrugge, Heist, Knokke, Torhout en Varsenare.
In 1928 publiceert Rahir een overzicht van de activiteiten van de “Rijksdienst voor Opgravingen” vanaf zijn oprichting in 1903.
Aimé Louis Rutot
Rutot (1847-1933) is opgeleid als geoloog en werkt in het begin van de 20ste eeuw als conservator aan het Koninklijk Instituut voor Natuurwetenschappen in Brussel. Hij houdt zich vooral bezig met paleontologie.
In het begin van de 20ste eeuw doet hij op de site Boncelles in de Ardennen vondsten van primitieve stenen werktuigen, zgn. eolithen, in formaties uit het Oligoceen (tussen 25 en 38 miljoen jaar oud). De ontdekkingen trekt veel aandacht, ook internationaal. Zijn ontdekkingen vormen het onderwerp van wetenschappelijke congressen en artikels. Rutot wordt één van de meest overtuigende vertegenwoordigers van eolithen als eerste menselijke werktuigen. Hij argumenteert dat het gebruik door de mens de stenen in eolithen heeft veranderd, zelfs al is dit niet bewust gebeurd. Rutot’s argumenten houden evenwel geen stand. Reeds in de jaren ’30 toont wetenschappelijk onderzoek definitief aan dat natuurlijke krachten de stenen hebben gevormd.
Tijdens zijn ambtstermijn als conservator aan het Koninklijk Museum voor Natuurwetenschappen en naast zijn carrière als natuuronderzoeker is Rutot zelf een verzamelaar en een energiek verwerver van collecties.
Rutot interesseert zich daarnaast ook voor archeologische vondsten. In 1898 volgt hij als geoloog de graafwerken voor het Boudewijnkanaal en voor de haveninstallaties te Zeebrugge en Fort Lapin. Hij doet er ook talrijke archeologische ontdekkingen, meer bepaald uit de pre-Romeinse en Romeinse periode. Samen met Charles Gillès de Pelichy is hij de ontdekker van de Romeinse boot en nederzetting te Fort Lapin. Rutot en baron de Loë dateren de boot in de tweede helft van de 11de eeuw. Pas veel later blijkt dat de boot uit de Romeinse periode dateert.
Joseph Maertens de Noordhout
Maertens de Noordhout wordt in 1872 te Gent geboren. Hij overlijdt te Gent in 1941.
Hij is zelf een groot verzamelaar van archaeologica, kunstschatten, familiepapieren en objecten i.v.m. het gildewezen.
Hij wordt conservator van het Oudheidkundig Museum van de Rijksuniversiteit en adjunct-conservator van het Bijlokemuseum te Gent. In zijn tijd wordt hij aanzien als een gewaardeerd kenner van prehistorische objecten.
Tussen 1926 en 1930 voert zijn interesse voor het verre verleden hem de wereld rond. Hij doorkruist Amerika, Indië en China en onderzoekt in 1929 een aantal tumuli in Guatemala.
Maertens de Noordhout doet talrijke prospecties en waarnemingen in Oost-Vlaanderen, maar ook buiten de grenzen van deze provincie is hij actief. Soms werkt hij samen met baron de Loë. Heel wat bevindingen worden tussen 1903 en 1941 gepubliceerd, hetzij als losse publikaties, hetzij als mededelingen, discussieverslagen of artikels in tijdschriften. Bij het terreinwerk gaat zijn aandacht vooral naar de recuperatie van voorwerpen, hoewel bemerkingen inzake topografie en vondstomstandigheden doorgaans niet ontbreken. Veelal kan de exacte locatie van de vondsten echter niet achterhaald worden.
In zijn “cataloque du Musée des Antiqités de l’Université de Gand” vermeldt Maertens de Noordhout een Romeinse pot uit Stalhille.
Edouard Jonckheere
Jonckheere wordt in 1855 in Brugge geboren in het pand Spiegelrei F3/16 (nu nr. Spiegelrei 17 en 18) als de zoon van Hippolyte Jonckheere, handelaar, reder en gemeenteraadslid en Hélène Belleroche. Hij blijft er met zijn ouders wonen tot 1877, wanneer het gezin naar Seraing verhuist.
In 1880 vestigt hij zich in Gent. Hij is er bediende en onder meer secretaris van het uitvoerend Comité van de Tentoonstelling ter gelegenheid van 15 jaar Stichting van de St.-Lucasscholen van Gent. Hieruit blijkt zijn belangstelling voor kunst en geschiedenis.
Na zijn huwelijk in 1893 met de Brugse Madeleine Donny keert hij terug naar Brugge en wordt er handelaar. Het gezin woont in 1897-1900 in het pand Moerstraat 21. Hij wordt medewerker aan La Patrie, de grote katholieke Brugse krant. Tot 1919 is hij lid van het Archeologisch Genootschap van Brugge, van 1900 tot 1904 van het Genootschap voor Geschiedenis Société d'Emulation te Brugge.
Wanneer in 1899 in Fort Lapin de resten van een boot gevonden worden, neemt Jonckheere het op zich om al deze brokstukken zorgvuldig op te meten en op te tekenen om zo een reconstructie van de boot te maken. Naar aanleiding van de vondst van de boot publiceert hij een bijdrage over het ontstaan van de Vlaamse kustvlakte en de boot.
Na W.O.I wijkt hij uit naar Antwerpen, waar hij in 1922 overlijdt.
Juliaan Claerhout
Claerhout wordt in 1859 in Wielsbeke geboren, als zoon van een arm landbouwersechtpaar. In 1883 werd hij priester gewijd. Zijn grote belangstelling voor de naamkunde drijft hem in de richting van de archeologie en aanverwante wetenschappen.
In 1896 begint hij aan zijn eerste opgravingen op het “Heidens Kerkhof” van Pittem. Of hij er inderdaad Frankische graven heeft ontdekt, is nog moeilijk te achterhalen, omdat Claerhout, net als bij zijn andere “opgravingen”, nooit voor een degelijke wetenschappelijke verslaggeving zorgde.
Het werk van Claerhout wekt de belangstelling van de “Société d’Archéologie” uit Brussel, vooral dan in de persoon van baron de Loë. Claerhout wordt opgenomen in de opgravingsdienst van de Brusselse vereniging en krijgt de verantwoordelijkheid over West-Vlaanderen. Hij schoolt zichzelf bij door geregeld aanwezig te zijn op de nationale congressen voor archeologie en geschiedenis. Hij komt ook in contact met baron Charles Gilles de Pelichy.
Claerhout werkt onder meer in Dentergem, Roeselare, Pittem, Kerkhove en tal van ander plaatsen. Ook wat het noorden van de provincie betreft, vermeldt hij talrijke vondsten. Claerhout overlijdt in 1929.
Voor West-Vlaanderen hebben zijn opzoekingen een onschatbare waarde en op veel plaatsen waar hij ontdekkingen heeft gedaan, vinden er nog opgravingen plaats. Helaas gebeurt zijn onderzoek op een niet-wetenschappelijke manier. De archeologie in West-Vlaanderen en eigenlijk ook in de rest van het land staat dan nog in haar kinderschoenen, hoewel sommigen van zijn tijdgenoten de zaken grondiger aanpakken.
|