Bruggemuseum - Archeologie

De resultaten van de opgravingen komen terecht in het Bruggemuseum - Archeologie. Het recent vernieuwde museum wil naar buiten treden onder het motto "voel je verleden onder je voeten". De bezoeker krijgt de kans om het verleden van de stad te ontdekken door te voelen en te speuren.
Het Bruggemuseum - Archeologie is een interactief museum: je wordt uitgenodigd om aan allerlei activiteiten deel te nemen.
De opstelling is fris en hedendaags. Jong en oud worden aangesproken.
Je kan er alle dagen, behalve op maandag, terecht van 9.30 tot 12.30 en van 13.30 tot 17.00 uur.  
Bruggelingen en kinderen onder 13 jaar bezoeken het museum gratis, andere bezoekers betalen € 2 (€ 1 met vermindering).
Een begeleidend boekje is beschikbaar voor € 5.

Hubert De Witte
conservator Bruggemuseum
hubert.de.witte@brugge.be

Katelijne Vertongen
projectmedewerker
katelijne.vertongen@brugge.be
Mariastraat 36 A, 8000 Brugge
tel. 050/44 87 29
fax 050/44 87 37

 

Pioniers van het verleden

Ter gelegenheid van OMD 2008, is er voor het eerst een – weliswaar kleinschalige – studie gebeurt naar de pioniers binnen het archeologische onderzoek in Brugge en ommeland. Het is onmiskenbaar dat de mens in het verleden herhaaldelijk op vondsten uit een nog verder verleden is gestoten. Helaas zijn daar slechts zelden sporen van terug te vinden. Een mooi, maar tegelijk uitzonderlijk voorbeeld zijn de “Albums Ledoulx” uit de 18de eeuw, waarin heel wat archeologische voorwerpen zijn afgebeeld. Talrijke stukken zijn afkomstig uit de collectie van Joseph van Huerne, een voormalig Brugs burgemeester.

De eerste golf van belangstelling voor het archeologisch verleden van de eigen streek, waarvan gegevens bewaard zijn, is te situeren op de overgang van de 19de naar de 20ste eeuw. Aanvankelijk is de interesse voor archeologie een hobby voor rijke heren van adel. Baron de Loë in Brussel, baron de Maere d’Aertrycke en baron Gillès de  Pélichy in West-Vlaanderen, Maertens de Noordhout in Gent, allen voorbeelden van adellijke personen met een passie voor archeologie. Een uitzondering is Claerhout, een West-Vlaams priester. In de meeste gevallen beperkt hun bijdrage aan het archeologisch onderzoek zich tot het verzamelen van oppervlaktevondsten, zoals steentijdmateriaal. Soms gebeuren er opgravingen, vrijwel steeds echter op een zeer amateuristische wijze. Dankzij de inbreng van baron de Loë, die de eerste nationale archeologische dienst opricht en ook een aantal lokale amateurs begeleidt, wordt de kwaliteit van het onderzoek heel wat beter.

Van dit prille archeologische onderzoek zijn vooral vondstmeldingen en artikels in allerlei – meestal Franstalige – tijdschriften bewaard. Helaas zijn de meeste vondsten zelf verloren gegaan. Een zoektocht in nationale en lokale musea heeft bitter weinig opgeleverd.

De pioniers:

Charles Gillès de Pélichy

Baron Charles Gillès de Pélichy wordt in 1872 geboren. Sterk beïnvloed door de politieke familietraditie gaat hij zich wijden aan de politiek. Na zijn opleiding als advocaat wordt hij volksvertegenwoordiger voor de katholieke partij in het arrondissement Roeselare-Tielt. Nadien wordt hij senator.

Charles Gillès de Pélichy bouwt in de familiale traditie van heropbloei van de gotiek in Gits een eigen kasteel in uitgesproken neogotische stijl. Na de vernietiging van dit kasteel door de Duitse bezettingstroepen in 1918, wordt het gezin Gillès de Pélichy eigenaar van het slot Male. Later vestigen ze zich in de Brugse Wulfhagestraat.  Charles Gillès de Pélichy overlijdt er in 1958.

Een bijzonder facet van zijn privéleven is zijn grote archeologische belangstelling. Vanaf zijn 14de jaar begint hij archeologische vondsten te verzamelen. Hij neemt onder meer deel aan de opgravingen te Izegem en Emelgem. Wat als een eenvoudige hobby begint, groeit uit tot een ware passie. Hij publiceert verschillende artikels en wetenschappelijke mededelingen over zijn onderzoek. Verschillende vondsten, onder andere Merovingische voorwerpen uit Emelgem, worden tentoongesteld in het kader van de middeleeuwse verzamelingen van het Gruuthusemuseum.

Zijn belangstelling voor archeologie beperkt zich niet enkel tot de streek van Izegem, dat deel uitmaakt van zijn kiesarrondissement, maar omvat eveneens de streek van Brugge en meer bepaald van Zeebrugge. Samen met Aimé Rutot doet hij belangwekkende ontdekkingen in Fort Lapin en de Zeebrugse haven. Hij voert ook heel wat prospecties uit onder andere in Steenbrugge, Sint-Kruis en Tillegem, waarbij hij steentijdwerktuigen verzamelt. Heel wat van die vondsten zijn in de collecties van het Gruuthusemuseum (nu Bruggemuseum) terechtgekomen.

Maurice de Maere d’Aaertrycke

Baron Maurice de Maere wordt in 1864 te Gent geboren als zoon van Emiel de Maere en Laura van Zuylen de Bisthoven. Reeds van op de lagere school toont hij een grote aanleg en nieuwsgierigheid voor alles wat wiskunde en geschiedenis aangaat. Hij vat hogere studies aan te Gent en vervolledigt die aan de Koninklijke Militaire School te Brussel. In 1893 huwt hij met de zuster van de toenmalige gouverneur. Op het politieke vlak speelt hij een eerder bescheiden rol, enerzijds als afgevaardigde voor het arrondissement Brugge in het Parlement, anderzijds als schepen in de gemeenteraad van Aartrijke.

Hij verwerft een zekere bekendheid als amateur-archeoloog. In diverse tijdschriften verschijnen bijdragen van zijn hand. Enkele handelen over militaire onderwerpen, andere bijdragen handelen over de Gulden Sporen slag en talrijke bijdragen handelen over de voorgeschiedenis van een aantal Westvlaamse vindplaatsen. Baron de Maere doet onder andere heel wat steentijdvondsten in het gebied Torhout – Aartrijke.

Hij is de neef van  baron August de Maere d'Aertrycke (1820 - 1900), "vader" van Brugge Zeehaven. Maurice de Maere is de bouwheer van het kasteel de Maere d'Aertrycke. Hij overlijdt op 1941 in Brugge tijdens de 2de wereldoorlog.

Alfred de Loë

Baron de Loë (1858 - ) is op het einde van de 19de eeuw adjunct-conservator bij de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis aan het Jubelpark in Brussel. Hij sticht  de Société Royale d'Archéologie de Bruxelles en de  "Rijksdienst voor Opgravingen" in 1903, waarvan hij de eerste directeur wordt. Hij kan worden beschouwd als de grondlegger van het professionele archeologische onderzoek in België.

De belangrijkste opdracht van de nieuwbakken opgravingsdienst is de opvolging van werken waarbij archeologische vondsten aan het licht kunnen komen, de zorg voor een optimale bewaring van de stukken en de studie van de lagen waarin de vondsten gedaan worden. Op deze manier gebeuren “nood”opgravingen in de echte betekenis van het woord. De sporen worden gefotografeerd, tussen de werken door ingetekend en de vondsten ingezameld. Bij de opgravingen wordt er zorgvuldig onderzoek verricht, waarbij stalen worden genomen voor verdere analyse. Men gebruikt een truweel, een borstel en een pincet. In 1903 wordt er voor het eerst een bedrag (maximaal 2.000 Belgische frank) bestemd voor archeologisch onderzoek.

De resultaten van het archeologische onderzoek worden tentoongesteld in de zalen van Oud-België, in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Baron de Loë is de conservator en grote bezieler achter deze afdeling.

Samen met zijn assistent Rahir, doet baron de Loë ook heel wat waarnemingen in het noorden van West-Vlaanderen en publiceert hij talrijke vondsten die in het gebied door amateur-archeologen zijn gedaan. Noodopgravingen en toevalsvondsten vinden onder meer plaats in Brugge (Fort Lapin), Zeebrugge, Heist, Knokke, Torhout en Varsenare.

Edmond Rahir

Rahir is afkomstig uit St-Joost-ten-Noode (1864 - 1936). Hij start met studies aan de universiteit, maar moet opgeven wegens gezondheidsredenen.

Zijn carrière begint met het opstellen van toeristische gidsen.  Zo ontmoet hij baron de Loë, adjunct-conservator aan het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis aan het Jubelpark te Brussel  en directeur van de "Rijksdienst voor Opgravingen”.
 
In 1903, op 39-jarige leeftijd, wordt Rahir tot attaché benoemd in het museum aan het Jubelpark. In deze hoedanigheid is hij de adjunct van baron de Loë en leidt hij verscheidene opgravingen. In 1925 volgt Rahir baron de Loë op als adjunct-conservator.

Rahir verricht tal van archeologische opgravingen in heel het land. Hij wordt aanzien als voorganger van de moderne archeologie. Hij is auteur van talrijke boeken en artikels i.v.m. onder meer archeologie, natuurbehoud en de invloed van de wind op de duinen.

Samen met baron de Loë doet Rahir heel wat waarnemingen in het noorden van West-Vlaanderen. Noodopgravingen en toevalsvondsten vinden onder meer plaats in Brugge (Fort Lapin), Zeebrugge, Heist, Knokke, Torhout en Varsenare.

In 1928 publiceert Rahir een overzicht van de activiteiten van de “Rijksdienst voor Opgravingen” vanaf zijn oprichting in 1903.

Aimé Louis Rutot

Rutot (1847-1933) is opgeleid als geoloog en werkt in het begin van de 20ste eeuw als conservator aan het Koninklijk Instituut voor Natuurwetenschappen in Brussel. Hij houdt zich vooral bezig met paleontologie.

In het begin van de 20ste eeuw doet hij op de site Boncelles in de Ardennen vondsten van primitieve stenen werktuigen, zgn. eolithen, in formaties uit het Oligoceen (tussen 25 en 38 miljoen jaar oud). De ontdekkingen trekt veel aandacht, ook internationaal. Zijn ontdekkingen vormen het onderwerp van wetenschappelijke congressen en artikels. Rutot wordt één van de meest overtuigende vertegenwoordigers van eolithen als eerste menselijke werktuigen. Hij argumenteert dat het gebruik door de mens de stenen in eolithen heeft veranderd, zelfs al is dit niet bewust gebeurd. Rutot’s argumenten houden evenwel geen stand. Reeds in de jaren ’30 toont wetenschappelijk onderzoek definitief aan dat natuurlijke krachten de stenen hebben gevormd.

Tijdens zijn ambtstermijn als conservator aan het Koninklijk Museum voor Natuurwetenschappen  en naast zijn carrière als natuuronderzoeker is Rutot zelf een verzamelaar en een energiek verwerver van collecties.

Rutot interesseert zich daarnaast ook voor archeologische vondsten. In 1898 volgt hij als geoloog de graafwerken voor het Boudewijnkanaal en voor de haveninstallaties te Zeebrugge en Fort Lapin. Hij doet er ook talrijke archeologische ontdekkingen, meer bepaald uit de pre-Romeinse en Romeinse periode. Samen met Charles Gillès de Pelichy is hij de ontdekker van de Romeinse boot en nederzetting te Fort Lapin. Rutot en baron de Loë dateren de boot in de tweede helft van de 11de eeuw. Pas veel later blijkt dat de boot uit de Romeinse periode dateert.

 

Joseph Maertens de Noordhout

Maertens de Noordhout wordt in 1872 te Gent geboren. Hij overlijdt te Gent in 1941.

Hij is zelf een groot verzamelaar van archaeologica, kunstschatten, familiepapieren en objecten i.v.m. het gildewezen.

Hij wordt conservator van het Oudheidkundig Museum van de Rijksuniversiteit en adjunct-conservator van het Bijlokemuseum te Gent. In zijn tijd wordt hij aanzien als een gewaardeerd kenner van prehistorische objecten.

Tussen 1926 en 1930 voert zijn interesse voor het verre verleden hem de wereld rond. Hij doorkruist Amerika, Indië en China en onderzoekt in 1929 een aantal tumuli in Guatemala.

Maertens de Noordhout doet talrijke prospecties en waarnemingen in Oost-Vlaanderen, maar ook buiten de grenzen van deze provincie is hij actief. Soms werkt hij samen met baron de Loë. Heel wat bevindingen worden tussen 1903 en 1941 gepubliceerd, hetzij als losse publikaties, hetzij als mededelingen, discussieverslagen of artikels in tijdschriften. Bij het terreinwerk gaat zijn aandacht vooral naar de recuperatie van voorwerpen, hoewel bemerkingen inzake topografie en vondstomstandigheden doorgaans niet ontbreken. Veelal kan de exacte locatie van de vondsten echter niet achterhaald worden.

In zijn “cataloque du Musée des Antiqités de l’Université de Gand” vermeldt Maertens de Noordhout een Romeinse pot uit Stalhille.

 

Edouard Jonckheere

Jonckheere wordt in 1855 in Brugge geboren in het pand Spiegelrei F3/16 (nu nr. Spiegelrei 17 en 18) als de zoon van Hippolyte Jonckheere, handelaar, reder en gemeenteraadslid en Hélène Belleroche. Hij blijft er met zijn ouders wonen tot 1877, wanneer het gezin naar Seraing verhuist.

In 1880 vestigt hij zich in Gent. Hij is er bediende en onder meer secretaris van het uitvoerend Comité van de Tentoonstelling ter gelegenheid van 15 jaar Stichting van de St.-Lucasscholen van Gent. Hieruit blijkt zijn belangstelling voor kunst en geschiedenis.

Na zijn huwelijk in 1893 met de Brugse Madeleine Donny keert hij terug naar Brugge en wordt er handelaar. Het gezin woont in 1897-1900 in het pand Moerstraat 21. Hij wordt medewerker aan La Patrie, de grote katholieke Brugse krant. Tot 1919 is hij lid van het Archeologisch Genootschap van Brugge, van 1900 tot 1904 van het Genootschap voor Geschiedenis Société d'Emulation te Brugge.

Wanneer in 1899 in Fort Lapin de resten van een boot gevonden worden, neemt Jonckheere het op zich om al deze brokstukken zorgvuldig op te meten en op te tekenen om zo een reconstructie van de boot te maken. Naar aanleiding van de vondst van de boot publiceert hij een bijdrage over het ontstaan van de Vlaamse kustvlakte en de boot.

Na W.O.I wijkt hij uit naar Antwerpen, waar hij in 1922 overlijdt.

Juliaan Claerhout

Claerhout wordt in 1859 in Wielsbeke geboren, als zoon van een arm landbouwersechtpaar. In 1883 werd hij priester gewijd. Zijn grote belangstelling voor de naamkunde drijft hem in de richting van de archeologie en aanverwante wetenschappen.

In 1896 begint hij aan zijn eerste opgravingen op het “Heidens Kerkhof” van Pittem.  Of hij er inderdaad Frankische graven heeft ontdekt, is nog moeilijk te achterhalen, omdat Claerhout, net als bij zijn andere “opgravingen”, nooit voor een degelijke wetenschappelijke verslaggeving zorgde.

Het werk van Claerhout wekt de belangstelling van de “Société d’Archéologie” uit Brussel, vooral dan in de persoon van baron de Loë. Claerhout wordt opgenomen in de opgravingsdienst van de Brusselse vereniging en krijgt de verantwoordelijkheid over West-Vlaanderen. Hij schoolt zichzelf bij door geregeld aanwezig te zijn op de nationale congressen voor archeologie en geschiedenis. Hij komt ook in contact met baron Charles Gilles de Pelichy.

Claerhout werkt onder meer in Dentergem, Roeselare,  Pittem, Kerkhove en tal van ander plaatsen. Ook wat het noorden van de provincie betreft, vermeldt hij talrijke vondsten. Claerhout overlijdt in 1929.

Voor West-Vlaanderen hebben zijn opzoekingen een onschatbare waarde en op veel plaatsen waar hij ontdekkingen heeft gedaan, vinden er  nog opgravingen plaats. Helaas gebeurt zijn onderzoek op een niet-wetenschappelijke manier. De archeologie in West-Vlaanderen en eigenlijk ook in de rest van het land staat dan nog in haar kinderschoenen, hoewel sommigen van zijn tijdgenoten de zaken grondiger aanpakken.


 

Archeologisch onderzoek in Brugge

Het prille archeologische onderzoek in Brugge en ommeland gaat terug tot de late 19de en het begin van de 20ste eeuw. Dan reeds doen lokale amateur-archeologen zoals Charles Gillès de Pelichy, Maurice de Maere d’Aetrycke, Aimé Rutot, Edouard Jonckheere, Juliaan Claerhout en later ook Maertens de Noordhout en Roger Crois vondsten en waarnemingen. In dezelfde periode voeren Edmond Rahir en Alfred de Loë, verbonden aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, de toenmalige “opgravingsdienst”, het eerste archeologische onderzoek uit. Dankzij het onderzoek van deze pioniers is heel wat informatie van de vernieling bewaard gebleven.

Naar aanleiding van het thema 20ste eeuw van OMD 2008 wil Raakvlak het werk van deze en andere late 19de- en 20ste-eeuwse onderzoekers in de schijnwerper plaatsen.

In Brugge gaat de aandacht speciaal naar de vondsten die rond de eeuwwisseling in Fort Lapin werden gedaan door Rutot en Gilles de Pélichy. Toen kwam niet alleen de befaamde Romeinse “boot van Brugge” aan het licht, maar werden ook belangrijke sporen van een inheems-Romeinse nederzetting aangesneden. Daarnaast worden ook de talrijke steentijdvondsten door Gillès de Pélichy belicht.

Tenslotte vinden in Brugge in 1902 en 1925 ook archeologische congressen plaats die georganiseerd worden door de Féderation Archéologique et Historique de Belqique.

De boot van Brugge

Eind augustus 1899 wordt in Brugge, bij het graven van de nieuwe zeehaven, een nog goed geconserveerd, hoofdzakelijk uit eikenhout gebouwd schip gevonden. Rutot wordt hiervan op de hoogte gebracht en samen met baron de Loë, trekt hij zo snel mogelijk naar de vindplaats. Op dat moment is één zijde van de boot al vernield.

De boot wordt op zo’n 100m ten noorden van een pre-Romeinse vindplaats en een kleine Romeinse villa gesitueerd. Rutot en de Loë gaan onmiddellijk aan de slag in een poging om wat nog rest van de boot te preserveren. Maar na een afwezigheid van nauwelijks een uur, worden ze bij hun terugkeer geconfronteerd met een immense graafmachine die in allerijl ter plaatse is gebracht om de boot te vernielen. Er kunnen enkel nog brokstukken verzameld worden. Jonckheere neemt het op zich om al deze brokstukken zorgvuldig op te meten en op te tekenen om zo een reconstructie van de boot te maken. De brokstukken zelf worden in het Gruuthuse museum gedeponeerd.

Decennialang is er een discussie gaande rond de exacte datering van de boot. Op basis van de stratigrafische positie van de boot, plaatst Rutot de boot aanvankelijk in de 11de of 12de eeuw. Later wordt dit herzien tot een periode gaande van de 4de tot de 8ste eeuw. Pas in de jaren ’70 kan de boot door de C-14 methode met zekerheid gedateerd worden. De boot gaat terug tot de 2de - begin 3de eeuw en past binnen een lokale variant van Keltisch scheepsbouw eigen aan de streek ten westen van de Rijn.

Ook rond de reconstructie en totale afmetingen van de boot is jarenlang gedebatteerd. De situatie in situ is enkel vast gelegd in een snelle schets van Rutot waarbij vooral aandacht was voor de positie van de boot in de geologische opbouw van de bodem. De boot zelf is enkel in doorsnede op de tekening te zien.

Zelfs Rutot en de Loë, de enige twee die de boot in situ met eigen ogen hebben gezien, komen niet tot eenzelfde besluit. Rutot schat de totale lengte van de boot op zo’n 7m, terwijl de Loë er een boot van 15m inziet. Blijkbaar was de boot op bij hun eerste bezoek nog niet voldoende bloot gelegd, om onmiddellijk daarna vernietigd te worden. De enige houvast voor de reconstructie zijn de brokstukken die ingezameld werden en die Jonckheere slechts enkele dagen na de vondst optekent. Op dat moment waren de brokstukken nog niet vervormd door uitdroging. De tekeningen zijn dan ook vandaag nog altijd van groot belang in de studie van de boot. In de loop der jaren zijn verschillende varianten opgetekend.

In het Bruggemuseum-archeologie kan een huidig reconstructiemodel van de boot en het teruggevonden roer bezichtigd worden.

Een houten raamwerk in Zeebrugge

In 1904 worden door de Nationale Opgravingsdienst resten van een houten raamwerk gevonden. De ontdekking gebeurt naar aanleiding van het uitgraven van de havenkom in Zeebrugge. Zowel Rutot als de lokale amateur-archeoloog Gillès de Pélichy worden bij het onderzoek betrokken. Deze laatst publiceert een grondplan en doorsnede van het raamwerk.

Het gaat om een rechthoekige houten constructie, met een gekende oppervlakte van ten minste 700 m2 . Aan de hand van boringen wordt echter vastgesteld dat de totale oppervlakte bijna het dubbele heeft bedragen. De constructie is ingeheid in het veen en is door middel van horizontale liggers ingedeeld in verschillende bekkens van ca. 12 x 3m, die plaatslijk nog door middel van tussenschotten kunnen worden onderverdeeld in compartimenten van ca. 6 x 3m. De liggers bestaan uit dennenhout, de ingeheide palen uit berk.

Verschillende hypothesen, die gaan van paalwoningen tot oesterkwekerijen en zelfs een “Menapische haven of aanlegplaats”, worden gelanceerd. Vermoedelijk gaat het echter om een constructie die met zoutwinning in verband gebracht kan worden.

Het raamwerk kan aan de hand van de vondsten die er bij aangetroffen worden, gedateerd worden in de Romeinse periode.

Prehistorische vondsten op Brugs grondgebied

In de loop van het laatste decennium van de 19de en het eerste van de 20ste eeuw slaagt Gillès de Pélichy er in om heel wat vondsten uit silex in te zamelen. Het gaat telkens om voorwerpen die aan de oppervlakte van akkers worden gevonden.

In Brugge vindt hij in Tillegem, te Steenbrugge en te Sint-Kruis verschillende werktuigen uit silex. Verscheidene van deze vondsten worden bewaard in de oude collectie van het Gruuthusemuseum (nu Bruggemuseum) en worden vergezeld van een topografische kaart waarop de vindplaatsen staan aangeduid. Dergelijke vondstenkaarten zijn een bijzondere bron van informatie voor de huidige onderzoekers. Helaas is het niet altijd mogelijk om de juiste vondsten aan de juiste vindplaats te koppelen. Zowel de gebieden Steenbrugge en Sint-Kruis omvatten immers verschillende vindplaatsen. Bovendien is er een sterk vermoeden dat nogal wat materiaal vermengd werd.

De vondsten uit Steenbrugge omvatten vondsten uit vrijwel de volledige steentijd: het epi-paleolithicum, namelijk uit de zgn. Tjonger en Creswell cultuur, het mesolithicum en het neolithicum.

Daarnaast verzamelt Gillès de Pélichy ook ceramisch materiaal. Het is te dateren tussen 1000 voor Chr. en het begin van onze jaartelling.

 

Archeologisch onderzoek in Jabbeke

Het prille archeologische onderzoek in Brugge en ommeland gaat terug tot de late 19de en het begin van de 20ste eeuw. Dan reeds doen lokale amateur-archeologen zoals Charles Gillès de Pélichy, Maurice de Maere d’Aetrycke, Aimé Rutot, Juliaan Claerhout en later ook Maertens de Noordhout en Roger Crois vondsten en waarnemingen. In dezelfde periode voeren Edmond Rahir en Alfred de Loë, verbonden aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, de toenmalige “opgravingsdienst”, het eerste archeologische onderzoek uit. Dankzij het onderzoek van deze pioniers is heel wat informatie van de vernieling bewaard gebleven.

Naar aanleiding van het thema 20ste eeuw van OMD 2008 wil Raakvlak het werk van deze en andere late 19de- en 20ste-eeuwse onderzoekers in de schijnwerper plaatsen.

Ook in Jabbeke zijn in het begin van de 20ste eeuw professionele archeologische onderzoekers zoals baron de Loë en Rahir actief. In Varsenare vinden ze onder meer sporen uit de IJzertijd.

Op het einde van de twintiger of begin dertiger jaren wordt in Zerkegem bij zandwinning een vroegmiddeleeuwse pot gevonden. Daarna doet Crois in de jaren zestig nog aanvullende vondsten in Roksem.

Hutkommen uit de La Tène periode (500 tot 50 voor Chr.) in Varsenare

In 1917 worden bij graafwerken door de Duitse soldaten op 750 m ten noorden van de kerk van Varsenare twee hutkommen (kuilen?) aangetroffen. Ze zijn rond en hebben een diepte van 1m50. Uit de houtskoolrijke vulling worden fragmenten van maalstenen en talrijke potscherven gerecupereerd. De vondsten worden gedateerd in de la Tène periode (500 tot 50 voor Chr.).

De vondsten worden bestudeerd door A. de Loë en overgebracht naar de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Bij navraag blijkt er daar geen spoor meer van deze vondsten te vinden is.

Onderzoek van versterkingen in Varsenare (nu Sint-Andries/Brugge)

In 1910 wordt door de Nationale Opgravingsdienst een archeologisch onderzoek uitgevoerd op een terrein langs de Diksmuidse Heirweg dat toen tot de gemeente Varsenare behoorde, maar vandaag deel uitmaakt van de stad Brugge. 

Er worden versterkingswerken waargenomen, die geïnterpreteerd worden als een Romeins of vroegmiddeleeuws kamp.

Vanaf de 14de eeuw wordt de site ingenomen door een Kartuizerinnenklooster. Vanaf dan spreken we over “St. Anna-ter-Woestijne”.

De “pot van Zerkegem”

Op het einde van de twintiger of dertiger jaren wordt door de heer Standaert op een perceel tussen de Noordstraat, de Gistelse steenweg en de vijver van de Hoge Dijken, bij zandwinning een vroegmiddeleeuwse pot gevonden. 

Het gaat om een breedgeschouderd flesmodel in grijsbakkend aardewerk. De schouder is versierd met drie horizontale reliëfbanden, waaronder drie ingegrifte golflijnen zijn aangebracht. Op de schouder komen ook zes verticale uitstulpingen voor. Verwante voorwerpen worden in Engeland aangetroffen.

De “pot van Zerkegem” wordt bewaard in de Duinenabdij in Koksijde.

 

 

Archeologisch onderzoek in Knokke-Heist

Het prille archeologische onderzoek in Brugge en ommeland gaat terug tot de late 19de en het begin van de 20ste eeuw. Dan reeds doen lokale amateur-archeologen zoals Charles Gillès de Pélichy, Maurice de Maere d’Aetrycke, Aimé Rutot, Juliaan Claerhout en later ook Maertens de Noordhout en Roger Crois vondsten en waarnemingen. In dezelfde periode voeren Edmond Rahir en Alfred de Loë, verbonden aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, de toenmalige “opgravingsdienst”, het eerste archeologische onderzoek uit. Dankzij het onderzoek van deze pioniers is heel wat informatie van de vernieling bewaard gebleven.

Naar aanleiding van het thema 20ste eeuw van OMD 2008 wil Raakvlak het werk van deze en andere late 19de- en 20ste-eeuwse onderzoekers in de schijnwerper plaatsen. 

Langs het strand van Knokke en Heist worden in de late 19de en het begin van de 20ste eeuw heel wat vondsten gedaan, onder meer door de baron de Maere d’Aaetrycke en Rutot, een geïnteresseerde geoloog, maar ook door de professionele archeologen De Loë en Rahir.

Ook daarna worden er op het grondgebied van Knokke-Heist nog vondsten gedaan. Een voorbeeld hiervan is een bronzen aquamanile die in 1967 bij het uitdiepen van een gracht wordt aangetroffen.

Een Romeinse pot uit Heist

De meeste vondsten aan het strand zijn terug te brengen tot middeleeuws aardewerk maar soms gaat het ook om Romeins of pre-Romeins vaatwerk.

Van de vele vondsten wordt in de museale collecties nauwlijks nog iets terug gevonden. Een uitzondering is een Romeinse pot. Het gaat om een gedeeltelijk gerestaureerd stuk in lokale grijze waar. De zogenaamde “urne van Heist” wordt bewaard in het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel.

 

Archeologisch onderzoek in Torhout

Het prille archeologische onderzoek in Brugge en ommeland gaat terug tot de late 19de en het begin van de 20ste eeuw. Toen reeds deden lokale amateur-archeologen zoals Charles Gillès de Pélichy, Maurice de Maere d’Aetrycke, Aimé Rutot, Juliaan Claerhout en later ook Maertens de Noordhout en Roger Crois vondsten en waarnemingen. In dezelfde periode voerden Edmond Rahir en Alfred de Loë, verbonden aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, de toenmalige “opgravingsdienst”, het eerste archeologische onderzoek uit. Dankzij het onderzoek van deze pioniers is heel wat informatie van de vernieling bewaard gebleven.

Naar aanleiding van het thema 20ste eeuw van OMD 2008 wil Raakvlak het werk van deze en andere late 19de- en 20ste-eeuwse onderzoekers in de schijnwerper plaatsen.

In het gebied Torhout-Aartrijke werden reeds in de late 19de- begin 20ste eeuw een aantal archeologische ontdekkingen gedaan. Er is vooral sprake van heel wat silexvondsten uit de Steentijd door Gillès De Pélichy en De Maere d’Aertrycke, wiens kasteel op het huidige grondgebied van de stad Torhout te vinden is.

Steentijdvondsten uit het brongebied van de Moubeek

In de loop van het eerste decennium van de 20ste eeuw slaagt baron de Maere d’Aertrycke er in om heel wat vondsten uit silex in te zamelen. Het gaat telkens om voorwerpen die aan de oppervlakte van akkers worden gevonden.

In Torhout in het brongebied van de Moubeek vindt hij verschillende werktuigen uit silex. De vondsten worden bewaard in de oude collectie van het Gruuthusemuseum (nu Bruggemuseum) en zijn voorzien van een kaartje waarop de vindplaats staat aangeduid. Dergelijke vondstenkaartjes zijn een bijzondere bron van informatie voor de huidige onderzoekers, maar zijn – helaas – zeldzaam. Behalve de vermelding van de vindplaats bevat het vondstcomplex ook talrijke kaartjes met uitleg over de vondsten. In de meeste gevallen is deze informatie achterhaald.

De vondsten omvatten stukken uit het finale Paleolithicum, het Mesolithicum en het Neolithicum.

Daarnaast wordt op het grondgebied van de gemeente Torhout ook een fragment van een gepolijste bijl gevonden. Noch vinder, noch juiste vindplaats zijn bekend.

 

 

Archeologisch onderzoek in Zedelgem

Het prille archeologische onderzoek in Brugge en ommeland gaat terug tot de late 19de en het begin van de 20ste eeuw. Toen reeds deden lokale amateur-archeologen zoals Charles Gillès de Pélichy, Maurice de Maere d’Aetrycke, Aimé Rutot, Juliaan Claerhout en later ook Maertens de Noordhout en Roger Crois vondsten en waarnemingen. In dezelfde periode voerden Edmond Rahir en Alfred de Loë, verbonden aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, de toenmalige “opgravingsdienst”, het eerste archeologische onderzoek uit. Dankzij het onderzoek van deze pioniers is heel wat informatie van de vernieling bewaard gebleven.

Naar aanleiding van het thema 20ste eeuw van OMD 2008 wil Raakvlak het werk van deze en andere late 19de- en 20ste-eeuwse onderzoekers in de schijnwerker plaatsen.

In het gebied Torhout-Aartrijke werden reeds in de late 19de- begin 20ste eeuw een aantal archeologische ontdekkingen gedaan. Er is vooral sprake van heel wat silexvondsten uit de Steentijd door Gillès De Pélichy en De Maere d’Aertrycke.

In Aartrijke kwamen ook talrijke vondsten aan het licht die in verband te brengen zijn met het Romeinse verleden van de streek.

Steentijdvondsten in de “Wynendaeleveldhoek”

In de loop van het eerste decennium van de 20ste eeuw slaagt Gillès de Pélichy er in om heel wat vondsten uit silex in te zamelen. Het gaat telkens om voorwerpen die aan de oppervlakte van akkers worden gevonden.

In Aartrijke in het gebied “Wynendaeleveldhoek” vindt hij verschillende werktuigen uit silex ten noorden van het kasteel De Maere. De vondsten worden bewaard in de oude collectie van het Gruuthusemuseum (nu Bruggemuseum) en zijn voorzien van een kaartje waarop de vindplaats staat aangeduid. Dergelijke vondstenkaartjes zijn een bijzondere bron van informatie voor de huidige onderzoekers, maar zijn – helaas – zeldzaam.

De vondsten dateren uit het Neolithicum (nieuwe steentijd) (ca. 5500-2000 v. Chr.) en omvatten allerlei klingen, waaronder ook microklingen, een vuurslag en heel wat afval van silexbewerking.

  home    contact    sitemap    colofon    archeologische spelers    archeologische collecties    oproep voor vrijwilligers    opgravingen    agenda    nieuwsbrief